‘Deze manier is de ideale integratie’

Vally Cornelius

Nadat ze een hersenbloeding kreeg, is Vally Cornelius (1940) niet meer in staat zelf haar huis schoon te houden en de tuin te doen. Niettemin geniet ze intens als er hulptroepen met diverse achtergronden in haar huis zijn. “Dat het er hier zo mooi uitziet, heb ik enkel aan hen te danken.”

Als je bij Vally Cornelius op bezoek bent en er is taart, dan ontkom je niet aan een stukje. Ze verplicht je het simpelweg te nemen, en dus luister je, mede door haar vriendelijke uitstraling. In de hoek van de kamer staat een vleugel. Ze wil best een stukje spelen, hoewel haar vingers de zwart-witte toetsen niet meer zo soepel vinden als vroeger. Oorzaak: een hersenbloeding, tien jaar geleden. Daardoor is het nu niet zonder risico om op een trapje te staan, en boven haar hoofd reiken is te veel gevraagd. Ook haar knieën missen de souplesse van haar jonge jaren, ze komt met moeite de trap op.

Geestelijk is mevrouw Cornelius scherper en actiever dan ooit. Haar werk als fysiotherapeut met een antroposofische inslag zet ze gewoon door. “Tenminste: als ze iets voor me terugdoen, me bijvoorbeeld ergens naartoe rijden. Dan heb ik een schoon geweten.”

Ja, haar geweten is goed getraind. Zo vindt ze het eigenlijk maar niks dat haar huis en tuin op en top onderhouden worden door mensen die slechts zeven en een halve euro per uur verdienen. “Ik buit die lui uit, denk ik weleens, ze werken zó goed! Ze krijgen een uitkering, maar toch houd ik er een slecht geweten aan over. Mijn dankbaarheid is het enige wat ik ertegenover kan zetten. Ik maak al zes jaar gebruik van hun diensten. Dat het er hier zo mooi uitziet, heb ik enkel aan hen te danken.”

Mevrouw Cornelius woonde veertien jaar in een kibboets, met mensen uit 29 verschillende landen. Mede daardoor kan ze er zo van genieten als er heel diverse mensen in haar huis rondlopen. “Er komen hier vluchtelingen, analfabeten, hoogopgeleiden – allemaal door elkaar. Ik vraag naar hun achtergronden, heel interessant. Zo is er iemand die zich jarenlang moest verstoppen in een oerwoud in Birma, en een andere man was ondernemer maar ging failliet. Deze manier van werken is de ideale integratie. Het is zo leuk, zó leuk!”

De laatste keer moest de haag worden gesnoeid en een hek geschilderd, vertelt Vally. En de schoonmaakploeg verdient eveneens een pluim. “Er is een vrouw die mijn gordijnen heeft afgehaald en opgehangen. Een andere vrouw doet de badkamer en het toilet – al vind ik dat eigenlijk niet koosjer. Potverdrie, wat doet ze dat goed.”

“Ze willen maar een kwartiertje pauze, maar ik verwen ze. Ik maak lunch en lekkere linzensoep, daar houden ze allemaal van. Ze zeggen dat ik aardig ben. Nou, ik vind het van-zelf-sprekend. Ze zijn te gast, waarom zou ik ze anders dan andere gasten behandelen?”

‘Het zou een ramp zijn als de hulp stopt’

Mevrouw Brink

Nadat Fernanda (Nanny) Brink uit Ede tijdens het tuinieren stevig onderuit ging, is ze slecht ter been. “Een speciale tuindivisie” doet nu haar tuin, terwijl anderen haar huis schoonhouden, de was doen en boodschappen halen. “Een mevrouw uit Irak neemt elk bezoekje een maaltijd mee. Van die gastvrijheid kunnen wij Nederlanders nog wat leren.”

“Sinds mijn veertiende woon ik in dit huis. Ik ben nooit getrouwd geweest en nadat mijn moeder overleed, ben ik hier blijven wonen. Er liggen hier dus nogal wat herinneringen. Bovendien: een verzorgingstehuis lijkt me het verschrikkelijkste wat er is. Ik moet geld lenen om hier te kunnen blijven wonen, maar toch: hier wil ik doodgaan.”

Fernanda Brink werkte haar leven lang als secretaresse. Nu trommelt ze niet meer op een typmachine, maar op haar knie, ritmisch, als ze het naar haar zin heeft. Ondertussen kijkt ze je vorsend aan, waardoor je ondanks haar kleine verschijning toch even onder de indruk bent. Aan de muur in haar statige woonkamer hangen geschilderde portretten van haar oma en opa. Dat is dus wel even geleden, vertelt ze trots. 1864, om precies te zijn.

Zes maanden geleden viel ze, in haar tuin, en gilde van de pijn. Daardoor kan ze slecht lopen. De auto moest weg, want ze kon de koppeling niet meer bedienen. Sindsdien heeft Fernanda Brink hulp van Tot Uw Dienst. Ze geniet ervan als ze ziet hoe mensen die proberen terug te keren in de samenleving langzaamaan de draad van hun leven weer oppakken door haar te helpen met wat ze zelf niet meer kan. Hun geschiedenis? Niet belangrijk. “Ik begin altijd met ‘Wat wil je drinken?’. Niet: ‘Hier is de emmer met sop’. Een mevrouw uit Irak neemt elk bezoekje een maaltijd mee. Van die gastvrijheid kunnen wij Nederlanders nog wat leren; als wij gaan eten, kijken we de mensen weg. Een andere dame van buitenlandse komaf kookt graag hier haar gerechten.”

Ze noemt ze graag bij naam, al haar helpers, want zonder hen zou ze het niet hebben gered. Ze heeft wel een rollator, maar daar is haar hondje Pien bang voor. “Ik moet nog leren hoe ik dat fiks, met Pien aan de lijn en dat ding voor m’n neus. Familie kan me niet helpen, want ik ben enig kind. Van mijn vrienden zijn er twee overleden, en mijn vriendin is net zo belabberd als ik. Dan heb je een leven lang gewerkt om de samenleving weer op gang te krijgen, en opeens ben je zo afhankelijk dat je alleen niets meer kunt.”

Haar was hangen ze op, ze dweilen, ze stoffen, de ramen worden gelapt én haar geliefde tuin wordt gedaan. En na de dood van haar kip Gré, hebben ze haar begraven. “Die had ik van de stichting ‘Red een legkip’. Ik vind dieren leuk, veel leuker dan mensen.” Haar vingers trommelen weer. “Dieren zijn de lichtpuntjes in mijn leven, samen met de natuur. Hè, Pieteman?”, knikt ze tegen de vogel in de vensterbank. “Een Mozambiquesijsje, van achttien jaar. Geërfd van een overleden kennis.”

“Wat ik de hele dag doe? Ik lees, ik luister naar klassieke muziek, wat ik nog in de tuin kán doen, doe ik, ik voer de goudvis – Goldie – en de vogels buiten – zitten ze er nog? – en ik ga met Pien naar buiten. Ik doe mijn best er wat van te maken. Voor de trein ga ik niet liggen, en versterven ga ik ook niet.”

‘Zonder hulp zou ik me schamen voor de buren’

Tanja Verkerk

Omdat een opeenstapeling van ellendige gebeurtenissen haar te veel werd, wilde Tanja Verkerk haar leven beëindigen. Ternauwernood overleefde ze de doodsklap tegen een boom. Door blijvend lichamelijk letsel kan ze haar tuin zelf niet meer doen. “Hun hulp is niet alleen lichamelijk ontlastend, het geeft me ook rust in m’n hoofd.”

Tanja (1961): “Ik ben bij Tot Uw Dienst terechtgekomen via iemand met wie ik eens in de zoveel weken een uurtje praat – om een beetje te ventileren. Ik heb namelijk een hele nare geschiedenis achter de rug.” In de tuin van haar chalet op een vakantiepark in Bennekom vertelt Tanja dat ze nog vaak naar het ziekenhuis moet. “Ik heb namelijk een paar jaar geleden een auto-ongeluk gehad. Nou, nee…,” verbetert ze zichzelf, “eigenlijk heb ik een zelfmoordpoging gedaan. Ik heb m’n stuur omgegooid zodat ik tegen een boom knalde, maar ik had de gordel om. Domste wat je kunt doen.”

Wat volgt is een dramatisch verhaal zoals je ze zelden hoort. Over seksueel misbruik in haar kinderjaren, prostitutie, mishandeling door een ex, echtscheiding, ontslag, depressies en uiteindelijk de zelfmoordpoging. Een aantal lichamelijke ongemakken zijn de stille bewijzen van de klap. “Ik heb geen gevoel meer in m’n bovenbeen en liezen, en ik heb geen buikvlies meer. M’n buikspieren zijn kapot, dus zit mijn buik vol matjes om m’n darmen bij elkaar te houden. Die matjes verschuiven als ik hoest. Soms vraagt iemand: ‘Ben je zwanger?’ Dan zeg ik maar ‘Ja’. Maar ik ben niet zielig, hoor. Ik ben uit een heel diep dal opgeklommen.”

Elke week doet een groepje jongens van Tot Uw Dienst haar tuin. “Ik ben zo blij als ze komen! Het zijn mannen naar m’n hart, bij sommigen doe ik al smak-smak. Lekker bakje koffie, koekie erbij. Als ik vraag hoe ik de rozen moet snoeien – dat lukt me nog wel – zit er altijd wel iemand bij die weet waar ik moet beginnen. En kijk eens, die grote boom. Als die z’n blaadjes laat vallen, is alles hier blad, blad, blad. Ik heb weleens gevraagd of ze een bladblazer wilden nemen. Nou, dat deden ze. En laatst hebben ze m’n hele terras schoongespoten. Daar word ik gewoon blij van. Ze moeten altijd lachen om m’n gras dat hartstikke dood is. Maakt me geen worst uit, het is groen.”

Wat de geschiedenis van haar helpers is, en wat ze vroeger misschien aan verdovende middelen hebben gebruikt, interesseert Tanja niet. “Iedereen heeft een rugzakje, ik ben geen haar beter. Zonder hun hulp zou het hier al gauw een oerwoud zijn, ik zou me schamen voor de buren. En ik zou de gezellige praatjes missen. Hun hulp is niet alleen lichamelijk ontlastend, het geeft me ook rust in m’n hoofd.”

Tanja is stapelgek op haar kat, die kwam zomaar aanwandelen. Voor haar hond kan ze niet meer zorgen, dus heeft ze die aan een vriend meegegeven. Een tatoeage moet zorgen dat Tanja het beestje toch een beetje bij zich heeft. Haar televisietoestel staat altijd aan. “Al is het maar voor het geluid, snap je? De tv is m’n grote vriend. Verder teken en schilder ik graag. Voor het lezen van een boek heb ik de concentratie niet – een overblijfsel van zes weken in coma liggen. Ja, dit stekje voelt veilig.”